Koeien verweiden of koeien op weg naar de stal

Een groot deel van de Nederlandse landbouw was begin twintigste eeuw afhankelijk geworden van een afzet van producten in het buitenland.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd al meer dan de helft van de totale landbouwproductie op buitenlandse markten verkocht. Bovendien waren sommige agrarische sectoren inmiddels in hoge mate afhankelijk geworden van de aanvoer van grondstoffen, zoals kunstmest en veevoeder. Aanvankelijk had iedereen het volste vertrouwen in deze gerichtheid op exportmarkten, maar terwijl de situatie van hoogconjunctuur zich na 1918 snel herstelde, dienden zich al gauw de eerste symptonen aan van een wereldwijde agrarische overproductie. Steeds groter werden de hoeveelheden landbouwproducten die ver van over de oceaan naar Europa kwamen. Het gevolg was dat het prijspeil onder druk kwam te staan, waardoor er nauwelijks nog lonend geproduceerd kon worden.

Al in de loop van de jaren twintig was zowel in de akkerbouw als in de veehouderij het prijsniveau zo zeer gedaald dat nauwelijks nog van een lonend bedrijf gesproken kon worden. Vanaf 1927 verslechterde de situatie zodanig dat de beloning voor de boeren lager was komen te liggen dan voor landarbeiders. Dit gold ook voor de boeren in Midden-Delfland. Aanvankelijk hield de overheid zich afzijdig, omdat zij meende dat de problemen van tijdelijke aard waren. Maar de economische positie van de landbouw werd zo slecht dat de overheid het noodzakelijk achtte om in te grijpen. De heer B. van Buuren heeft gezien, dat er veel ellende was onder de boeren. ‘ Er was weinig geld, er moest het hele jaar hard gewerkt worden en er werd nauwelijks een cent verdiend. De melkverdiensten waren erg laag, soms maar twee a drie cent per liter. Veel boeren konden het amper volhouden, maar er was niks anders’.

De veehouderij kreeg het zwaar te verduren, toen in 1931 door Engeland en de Scandinavische landen de Gouden Standaard werd losgelaten en de gulden daardoor ‘te duur’ werd. Hierdoor daalde de export van vlees, vanouds een grote sector in de landbouw. Om de export van de ondergang te redden, werd de invoer van goedkoop buitenlands vlees beperkt, om zo de veehouders tegen drastische prijsdaling te beschermen.

In juli 1932 werden de Crisiszuivelwet en de Crisisvarkenswet van kracht. De Crisiszuivelwet hield in: Er werd een fonds gesticht, gevormd uit heffingen op zuivelproducten en spijsvetten. Uit dit fonds kon aan de veehouders een toeslag op de door hen aan melkfabrieken geleverde melk worden gegeven.

De Crisisvarkenswet gaf de overheid de mogelijkheid om accijns te heffen op varkensvlees. De opbrengst hiervan werd in een fonds gestort, waarmee een hoger prijspeil kon worden gehandhaafd.

Ook werd de Crisispachtwet ingevoerd. Deze wet zou pachters beschermen tegen die pachtovereenkomsten, welke door de economische situatie onredelijk hoog waren afgesloten. Van deze regeling werd veel gebruikt gemaakt. De heer B. van Buuren heeft heel wat boeren noodgedwongen pachter zien worden. Mevr. W. Zonneveld-Verkade vertelde dat de boerderij aan de Zweth door haar en haar man gehuurd werd. In de loop van de tijd is het bedrijf diverse malen van eigenaar verwisseld. De huur was voor de bezitters blijkbaar niet erg rendabel, een hoge huur mocht niet van de ‘pachtkamer’, want dan had je helemaal geen droog brood’.

Al deze aparte wetgeving bracht te weinig resultaat. Het buitenland bleef beperkende maatregelen doorvoeren. Wilde men een redelijk binnenlands prijspeil houden, dan moest de productie aan de exportcijfers aangepast worden. Uiteindelijk werd de hele sector aan banden gelegd in de Landbouwcrisiswet van 1933. ‘De boer was zijn vrijheid kwijt’! Zo werd ondere andere van elke boer de veestapel geregistreerd.

Maar de wet leidde er ook toe dat er naar kwaliteitsverbetering werd gestreefd. Men bracht de boeren in contact met landbouwonderwijs, met moderne graslandexploitatie, met doelmatig kunstmestbeleid, bestrijding van ziekten en doelmatiger veevoeding. De heer P. van Woerden wees op de avondcursussen die door diverse onderwijzers/leraren gegeven werden. Deze avonden werden door menigeen, die in de landbouw werkte, gevolgd. Paul van Woerden volgde de lessen in De Lier. Een of twee avonden in de week fietste hij naar het gebouw, waar de cursus werd gegeven. Er kwam ook weleens een veearts lesgeven. De avonden waren een serieuze aangelegenheid. Men begon met gebed, dan volgde de les en na de dankzegging ging men met veel nuttige informatie op zak weer naar huis. Volgens Van Woerden werden de cursussen door veel boerenjongens gevolgd. ‘Het werd echt gestimuleerd’.

Trudy Werner-Berkhout, Thema: Handel, Sleutelwoorden: landbouwcrisiswet, overheid, Jaar: 1932, 30-01-2004

Bronnen:

  • T. Werner-Berkhout. Interviews met de heren B. van Buuren en P. van Woerden en mevr. W. Zonneveld-Verkade in 2002.
  • J. Bieleman. Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Wageningen, 1992
  • Techniek in Nederland in de twintigste eeuw. Dl. 3: Landbouw, voeding. Eindhoven, 2000